Waarom je nooit een held moet ontmoeten – ook niet per telefoon

Als journalist heb je altijd een aantal mensen in hoofd die je ooit nog eens zou willen interviewen. Types die je bewondert. Mensen van wie je denkt: was ik maar zo. Daar praat je niet hardop over, want je bent volwassen en volwassen mensen doen niet aan bewonderen. Volwassen mensen zijn geen fan. Waarom niet? Omdat het al snel zielig of raar wordt. Een tatoeage van je favoriete voetbalclub, een zolder vol BZN-parafernalia of dezelfde kleding dragen als die ene filmster; dat soort dingen zorgt ervoor dat je niet serieus wordt genomen. Terecht, want je bent ouder dan tien.

Toch is er niks mis met een klein beetje bewondering. Iemand tegen wie je stiekem opkijkt, daar is nooit iemand slechter van geworden. Zolang je niet elke avond op je knieën voor de poster van Frans Bauer een gebedje doet, zit je goed.

Anthony Bourdain is voor mij zo’n iemand. Een held, ja, dat durf ik best te zeggen. Dat heeft vooral te maken met het feit dat hij zichzelf to-taal niet zo ziet. Hij is de anti-held, of zoals hij het zelf zegt: ‘In vergelijking met écht coole mensen, ben ik een dampende hoop stront.’ Wat dan weer onzin is, want cooler dan Bourdain komen ze niet, maar toch.

Als je Bourdain niet kent: beter google je hem, lees je zijn boeken en bekijk je de reisprogramma’s die hij voor onder andere CNN maakt. Hij begon als fulltime drugsverslaafde, ergens aan de Amerikaanse oostkust, maar dat leven liet hij achter zich toen bleek dat hij goed kon koken. Hij schopte het tot executive chef van Les Halles, een succesrestaurant in New York, maar stortte zich daarna vooral op het schrijven van boeken. Eerst over zijn leven (check vooral Kitchen Confidential), maar later ook kookboeken en romans.

En ook op tv bleek Bourdain het uitstekend te doen. De lul. Zijn kennis van eten, literatuur, zijn open mind en grote bek maakten hem de ideale presentator van een flink aantal reisprogramma’s. En dan niet van die truttige. Bourdain laat de zelfkant zien, de onderbuik van de stad of het land dat hij bezoekt. Hij zuipt, vreet, praat met alles en iedereen, van ‘de gewone man’ tot vuige rockers als Queens of the Stone Age en zelfs president Obama. Hij vloekt, tiert, scheldt op veganisten en ‘hipsters’ die met hun ‘fucking laptops, baarden en ambachtelijk gebrouwen bier’ de horeca verzieken. Bourdain houdt van ruig, eerlijk, oprecht, stoer. Precies zoals hij zelf is. Als hij eet, eet hij alles. Dat varken is nooit voor niks gestorven – indien gevraagd, schiet hij het beest trouwens zelf door de kop, zoals te zien in een van zijn laatste programma’s. Bourdain slurpt, slobbert, bijt, knaagt, net zolang tot het hele dier verdwenen is, ondertussen de loftrompet tuitend over zoveel culinaire schoonheid.

Dat zeg ik, die man is een held.

Onlangs mocht ik hem interviewen, na maanden mailen met een communicatiemevrouw van CNN. Telefonisch. Een kwartiertje. En zoals dat gaat met het interviewen van helden: de held had er weinig zin in. Hij was moe. Hij reist tweehonderd dagen per jaar. Een journalist uit Amsterdam, ach, weet je, fuck dat. Maar hij beantwoordde mijn vragen. Net zo vilein als hij zijn programma’s presenteert en met net zoveel humor. Ik moest regelmatig lachen. Te hard. Als een schooljongetje. Het was een soort giebelen. Aan de andere kant van de lijn was het dan stil. Aan het eind van het gesprek wist ik vrij zeker dat Anthony Bourdain vermoedde dat ik een poster van hem aan de muur had.