Marcel wordt slager

Het is handig als je iets kunt, in dit leven. Ik doel daarbij niet op voorheen trendy banen als reclamemaker, reisjournalist, pr-consultant of websiteschrijver, want laten we wel wezen; die beroepsgroepen verkopen voornamelijk gebakken lucht.

Een jaar of tien geleden kwam je daar nog mee weg en vond iedereen het heel interessant als je op verjaardagen vertelde dat jij verantwoordelijk was voor die vreselijk grappig reclame van Centraal Beheer, de hele wereld over vloog op zoek naar dure hotels of een column schreef waar mensen het dagen nadien nog over hadden. Die tijden zijn veranderd. Tegenwoordig maakt iedereen zijn eigen reclame op YouTube, vliegt half Nederland dankzij prijsstunters en Airbnb gerust een weekendje naar Ulan Bator om te verpozen aan designzwembaden en spuit iedereen bagger op social media, dus kranten, boeken en websites, ach, wie heeft ze nodig?

Dus is het handig als je wat kunt. Iets met je handen, liefst. Daar verdien je tenminste geld mee – veel geld – en het is ook nog eens razend hip. Voorbeelden? Ik betaal tegenwoordig zonder morren vijfendertig euro voor een baardtrimbeurt bij de barbier, ik tik vijf euro af voor een gluten- en E-nummervrij brood bij de bakker en leg hetzelfde bedrag neer voor een langzaam gebrouwen kopje mens-, dier- en plantvriendelijke koffie uit Zuid-Soedan. Groenten en fruit? Alleen onbespoten en liefdevol geteeld op een Randstedelijk dakterras door mannen met baarden en tatoeages alstublieft. Dat een pondje portobello champignons meer kost dan het uurtarief van een senior reclameman, dat neem ik voor lief.

Ik vind dat mooi en tegelijk beangstigend.

Fantastisch dat beroepen die voorheen als saai en weinig stoer werden bestempeld de eer krijgen die ze verdienen, zeker, maar wel mooi klote dat ik geen idee heb ik hoe ik brood bak, aardappel poot, fietslamp maak of baard netjes bijpunt. Ik hoor je denken: dan had je maar een vak moeten leren. En dan kijk ik je knikkend en schuldbewust aan.

Een tijdje geleden werd ik weer met de neus op de feiten gedrukt. Vanwege mijn vak – dat dan weer wel – werd ik uitgenodigd om een ‘masterclass rund uitbenen’ bij te wonen in hip hoofdstedelijke restaurant. Onder leiding van Gertjan Kiers zouden we zien hoe je het meest haalt uit tachtig kilo koe. Ik kreeg stoer bier van een lokale brouwer (nóg een hip beroep!) en luisterde aandachtig naar Gertjan, een boomlange, kale kerel vol tatoeages en een welhaast manisch enthousiaste blik in zijn ogen. Hij was slager, vertelde hij, en dat was het mooiste vak van de wereld. Inderdaad: óók al een ‘nieuw’ hip beroep.

Ik voelde me heel klein en nietig en wilde huilen op het toilet, maar Gertjan begon razendsnel doch met chirurgische precisie in de koe te snijden en legde uit hoe elk deel precies heette. T-bone, jodenhaas, entrecote, dat heb ik onthouden, maar er was veel meer. ‘Hier, luister,’ zei Gertjan terwijl hij met een venijnig drukje een stuk bot van het rund in tweeën brak: ‘dat is nou een geluksmomentje.’

De slager deed alles zonder slagershandschoenen, want: ‘Je moet jezelf gewoon niet snijden.’ Hij zei ook dingen als: ‘Ossenhaas is geen vlees. Twee keer kauwen en het is weg, bovendien zit er geen smaak aan.’ Over carpaccio wilde hij helemaal niks zeggen, want dan werd ie écht kwaad. Gertjan at liever bavette of picanha – ik moest het ook even Googlen. Helemaal aan het eind van Het Slopen Der Koe kwam ‘het lastigste stukkie’, vertelde Gertjan: ‘Als ik nu mis snij, jank ik dit mes zo in m’n oksel.’

Hij jankte het mes niet in z’n oksel. Toen ik iets later de uitstekend gegrilde delen rund at waarvan ik de naam alweer was vergeten, vroeg ik me af of ze bij de LOI ook slagersopleidingen hadden.

 

PS. Ja, Gertjan is de slager op deze foto.