blessure

Marcel had voor het eerst een blessure – de jankerd

Ik moet altijd een beetje besmuikt lachen als ik een voetballer, nadat er een overtreding op hem is gemaakt, met een verbeten gezicht naar de grond zie gaan. ‘Het zal wel,’ denk ik dan, onderwijl nippend aan mijn pinot noir en knagend op een plakje ingewikkelde lavendelworst. En meestal valt het ook reuze mee. Zo’n speler staat al snel weer op beide benen, hinkt wat plichtmatig na, kijkt nog eens quasi-woest naar de hufter die hem onderuit schoffelde, maar niet lang daarna hobbelt hij weer full force mee met de rest van de miljonairs op het veld.

‘Zie je wel,’ denk ik dan, ‘valt reuze mee.’

Soms, echter, valt het niet mee. Dan ligt zo’n jongen met tatoeages en al op de grond en blijft hij net zolang kermen tot er wat mannen met een brancard komen om hem van het veld te verwijderen. Na de wedstrijd horen we dan wat er nu precies aan de hand was, alsmede de tijd die het kost om van deze blessure te herstellen. Ook dat deed me niet zoveel. Spierscheuring, vier tot zes weken herstel. Het zal toch wel? Die jongens krijgen fysiotherapie, massages en anderszins intensieve begeleiding van mensen die daarvoor hebben doorgeleerd. Appeltje eitje, dacht ik, kind kan de was doen. Vier weken op een hometrainer zitten en een beetje gemasseerd worden, hoe moeilijk kan het zijn?

Nou, meneer, dat zal ik je vertellen: heel moeilijk.

Je moet weten: ik heb nog nooit een blessure gehad. Ik had wel eens spierpijn, maar daar hield het wel mee op.  Tot vorige week. Tijdens mijn kickbokstraining – ik weet het, heel mannelijk en stoer – deelde ik een hoge trap uit op de daarvoor bestemde bokszak. Althans, dat was het idee. Op het moment dat ik mij afzette, trapte iemand mij vol op m’n kuit. Dat deed pijn. Ik keek dan ook woest achter me om te zien wie de dader van deze laffe daad was. Er stond niemand. Evenzogoed had ik het toch echt gevoeld en de pijn in mijn kuit zwol aan. De trainer stopte de les, hoorde mijn verhaal aan, bevoelde het been en zei: ‘Zweepslag, dat is klote.’

Dat is het zeker.

Sindsdien strompel ik als een oude man naar de Albert Heijn voor mijn boodschappen. Mensen kijken en ik zie ze denken: zielig. Ik voel me ook zielig. Met name omdat ik niet kan sporten. Dat kan ik niet vanwege dat been, maar het mag ook niet van mijn fysiotherapeut. Want die heb ik nu dus ook. Hij heet Pim en de eerste keer dat hij mijn kuit masseerde, wilde ik hem slaan. Ik wilde huilen van de pijn. Ik deed het niet, maar het zweet brak me uit. Pim vroeg me allerlei dingen over mijn baan, maar ik wilde alleen maar dat hij mijn been losliet. Pim kneedde door. En stak vervolgens ook nog een paar naalden in de getormenteerde spier. ‘Dat is dry needling,’ zei Pim, ‘en dat helpt.’ Daarna mocht ik nog wat oefeningen doen. Oefeningen die ik de vier tot zes weken moest herhalen. Elke dag. Die oefeningen doen ook pijn. Heel erg pijn. Pim zag de blik in mijn ogen en zei: ‘Er zijn ook mensen bij wie de hele spier afgescheurd is. Dat is pas erg. Het valt wel mee.’

Nee, Pim, het valt niet mee. Het doet pijn en het is stom en vervelend en ik voel me oud. Maar ik ben blij dat je er bent en dat je me helpt en dat ik straks weer normaal kan lopen. En ik zal nooit meer besmuikt lachen als ik een voetballer naar de grond zie gaan.