Champagne kan altijd

Jan drinkt niet meer, en mist eigenlijk vooral de Champagne

Eigenlijk gek. De wijn die ik het meeste mis, nu ik niet drink, is Champagne. Want dat is traditioneel toch eigenlijk alleen een drank voor het knallen met de jaarwisseling (al heeft Meneer Paul daar heel andere gedachten over). Dit overigens zéér tot verdriet van de industrie, die dan ook sinds mensenheugenis zijn best doet zich onder dat verdoemde imago uit te wurmen en de bubbel te positioneren als prima-drank-bij-elke-gelegenheid.

En dat heb ik geweten, als wijn-minnende lifestylejournalist. Talloze keren ben ik per luxesloep meegetroond door de grachten van Amsterdam, om te bewijzen dat je zo’n tochtje best overleeft met een forse kelk Moët et Chandon Ice Impérial met fruit aan de lippen. Ik ben uitgenodigd aan vele, vele schitterende diners, enkel om te demonstreren welke fabelachtige food-pairings je kunt bewerkstelligen als je er enkel een mooie selectie Dom Perignon-vintages bij schenkt.

Het mooiste was: ik werd bijna wekelijks per luxe touringcar vervoerd naar het hart van de Champagne, om daar uit de mond van de plaatselijke hereboer te vernemen waar de mooiste wijnranken staan, hoe daar de druiven liefderijk worden geplukt en geperst, en verder tot deze godendrank worden verwerkt, die je werkelijk op ieder moment van de dag, elke dag, kunt drinken. Zijn grandmêre was er 103 mee geworden!

Dat soort toespraken vond dan steevast plaats in lange, slecht verlichte gangen vol tonnen in de krijtrotsen, in vervlogen eeuwen uitgehakt door Champagne-dwangarbeiders, en nu over vele kilometers gevuld met bubbly in wording, op precies de juiste temperatuur bewaard tot het moment van bottelen. Daar dwaalde ik dan een uurtje, glaasje in de hand, dat per slok werd bijgevuld, als opmaat voor het proeverijtje na de rondleiding, wat weer een opmaat is voor het diner, of de lunch, afhankelijk van het tijdstip.

De allermooiste reis in dit genre was toch wel die ene, naar het chateau van Moët nabij Epernay, waar een afstammeling van de oude Moët, of de oude Chandon, daar wil ik afwezen, ons (ik was met mevrouw Heemskerk) trakteerde op een eindeloos maar rijk overgoten vertoog over de kwaliteit van de individuele vintages, en een maaltijd, uiteraard, met gerechten die door de familiekok speciaal waren bereid als volmaakte symbiose met de diverse jaargangen Moët.

Ik ben allang vergeten wat er allemaal werd geserveerd, maar het was machtig heerlijk en het mooiste moest nog komen, want toen de maaltijd was afgelopen, werden twee schuifdeuren geopend, die toegang gaven tot een heuse biljart- en muziekkamer, die werkelijk tot in de kleinste hoekjes en gaatjes was gevuld met ijskoelers vol ‘gewone’ Moët et Chandon.

Er was dus een onuitputtelijke hoeveelheid champagne en er was een groep legendarisch gezellige collega’s met eindeloos spraakwater en glamour en liefde. De ideale omstandigheden voor een avond snoeihard champagne hijsen. En zo was het nog lang onrustig in het kasteel van Moët (of Chandon), voordat mevrouw Heemskerk en ik uiteindelijk naar bed gingen in de torenkamer waar Roger Federer en Scarlett Johansson ook ooit nog hadden gelogeerd, niet tegelijk overigens, hoewel, je weet maar nooit.

Mooie herinneringen. Kater viel mee.  Licht gevoel van spijt dat ik door eigen schuld niet langer word gevraagd voor leuke boottochtjes, epische diners en reisjes naar de wijnstokken, rotstunnels en biljartkamers. Maar dit alles verklaart nog steeds niet waarom ik de champagne het meeste mis.  Ik bedoel: ik heb óók stad en land, nieuwe en oude wereld,  afgefeest met ‘gewone’ rood en wit, dus daar kan het niet aan liggen.

Dus rest maar één conclusie: de makers hadden gelijk en champagne kan altijd. Als enige wijnsoort. Champagne kan, en mag, altijd en smaakt altijd goed. Als ontbijt met aardbeien, wafels en room. Als lunch, vanzelfsprekend. Diner, geen discussie. Maar ook: in bed, vóór, tijdens en na! En op ieder feest waar iets te vieren valt en dus ook, verdomd, óók met oud en nieuw. Merry 2018!