Italiaanse film: altijd een dwerg

Het verdriet van Jan: voor altijd een cultuurbarbaar…

Af en toe waagt Jan zich aan een intellectuele film, een moeilijk museum of een diep literaire roman. Het eindigt altijd in tranen. Over het verdriet van een hoogsensitieve man met een IQ van 180 en de culturele diepgang van een dubbeltje.

“De film zwiert en zweeft van het ene beeld naar het andere. Elegant. Glamoureus. Alleen al de introductie van de hoofdpersoon, een flink eind in de film, op zijn eigen apocalyptische jetsetfeest is van een joyeuze visuele geëxalteerdheid waar maar weinig filmmakers zich aan durven te wagen. En verder gaat het weer. Door de stad, door het nachtleven, langs de kunstgeschiedenis en de cinema. Hij zit vol referenties. Aan Fellini, maar bijvoorbeeld ook aan Proust.”

Een fragment uit een recensie van La grande bellezza (de grote schoonheid, denk ik), een Italiaanse film van regisseur Paolo Sorrentino. De recensie is niet van mij, maar van NRC Handelsblad, en niet van nu, maar uit 2013, net als de film zelf, natuurlijk.

Het zegt natuurlijk al alles over mijn culturele geloofwaardigheid, dat La grande bellezza me nu pas onder ogen komt, op een DVD nog wel, dankzij mijn lieve echtgenote, die vond dat we dit ‘meesterwerk’ nu eens dringend moesten gaan bekijken. En dat hebben we geweten.

De film gaat over kunstjournalist Jep Gambardella (gespeeld door Toni Servillo, wie kent ‘m niet), die 65 is geworden en zijn leven overdenkt. Een en ander speelt zich af in Rome, waar het kennelijk altijd feest is, wild wordt gedanst op discoklassiekers, veel conceptuele kunst wordt opgevoerd en droefgeestig wordt geneukt. Tevens is er een dwerg en een non van 104 jaar oud, zonder tanden. De non, niet de dwerg. Spoiler alert: Jep, ooit schrijver van een controversiële debuutroman, is nooit aan een tweede boek begonnen omdat hij zat te wachten tot hem iets groots en meeslepends zou overkomen: een grande bellezza. En nu is het te laat. Of niet. Wie zal het zeggen. Niet de film, want die is met deze onthulling ten einde.

Terwijl de titelrol afloopt, word ik in mijn herinnering meegevoerd naar de afgelopen zomer, een joekel van een museum voor moderne kunst, in een lollig dorpje in Upstate New York. De Heemskerkjes doen cultuur. Een stoet van onafzienbare installaties, objecten van licht tot metaal tot hout tot lucht en leegte, mooie dingen, lelijke dingen, veel popart. Ik registreer wat ik zie. Vind het mooi of niet. Boeiend of niet. Knap gemaakt of niet. Punt. Nergens herken ik de akelige jeugd van de kunstenaar. De aanklacht tegen de oorlog in Vietnam. De verhulde verwijzing naar de neef van Michelangelo. Ik mis het volkomen. Zie hooguit het autisme wat je wel móet hebben om een geometrische figuur van 100 vierkante meter te spannen in dunne draad. Maar dat snapt mijn zoontje ook: ‘Daar zal ie wel tijdje mee bezig zijn geweest, pap.’.

Dus. Wat vond ik nu in werkelijkheid van La grande bellezza? Leuke film. Beetje dun verhaal. Kunstzinnig ingewikkeld camerawerk. Overal mensen die onverwacht in zingen uitbarsten. Een man in hemdsmouwen die zijn oksels wast in een fontein. Dat. Maar als altijd blijf ik zitten met het gevoel dat ik tekort schiet. De diepere laag, die me zou moeten vervoeren en bedwelmen, compleet maar dan ook totáál heb gemist. En voor de zoveelste keer vraag ik me af: hoe kan dat nou?

Ik ben toch niet dom. Ik heb emoties. Gevoel voor humor. Een oog voor schoonheid. Waarom zie ik niet wat anderen zien, waarom ontbreekt mij ten enen male het culturele gen, waarom ben ik zo verdomde oppervlakkig? Het zou me een lief ding waard zijn op die vraag een antwoord te krijgen. Misschien zit er zelfs een moeilijke film in. Vol haat er zelfverwijt. En een moeilijke jeugd.