Niet om direct de nostalgische zeurzak uit te hangen, maar toch dit: wanneer ben je te oud voor dingen? Dat vroeg ik me onlangs zomaar af. Niet dat ik bejaard ben, zover is het allemaal nog niet, maar het frisse is er wel een beetje af. Typisch een moment dat je je dat soort dingen gaat afvragen. Wat kun je als man van, laten we zeggen, midveertig nog doen zonder uitgelachen te worden door de frisse dertigers en vrijwel onrijpe twintigers?

De gedachte kwam tot me tijdens een dancefestival in een Amsterdams park. Wat ik zeg: ik ben nog lang niet dood, ik doe echt nog wel spannende dingen met mijn leven. Plots was hij daar, echter, de gedachte. Precies tijdens een vrij belachelijke dansbeweging, die het midden hield tussen de Carlton-dans uit The Fresh Prince Of Bel-Air, de laatste stuiptrekkingen van een aangereden hert en het haar van Geert Wilders. Uit het niets dacht ik: kan dit nog? Ik staakte het dansen en begon te peinzen. Ik ging er zelfs even speciaal voor zitten.

Als ik naar de leeftijd van het gros van de festivalbezoekers keek, vond ik eigenlijk dat het niet meer. Ze waren zo fris allemaal. Misschien niet geestelijk, vanwege de diverse drugs en alcohol, maar dan toch lichamelijk. Dat lieten ze ook graag zien. Veel jongens hadden hun shirts uitgedaan, veel meisjes droegen niet veel meer dan een bh en van die kleine rokjes.

En daar stond ik dan tussen. Met mijn T-shirt en jeans en baard en mijn inmiddels niet meer zo witte sneakers. Een beetje tof te doen. Want zo voelde het: alsof ik een beetje tof wilde doen tussen de mensen die het daadwerkelijk waren. Opa uit z’n dak.

Ik voelde me ineens ook extra oud. Zo oud als brokkelkaas. Zo oud als het gezicht van Connie Palmen. En droevig, dat voelde ik me ook. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat de fitgirls en -boys me venijnig aankeken. Dat ze dachten: rot op, ouwe, ga een boek van papier lezen.

Ineens stond mijn vrouw voor me. Waar ik was en waarom ik hier zo zielig zat te zijn en of ik niet weer een gekke dansmove kon maken. Vond de rest zo leuk.

Ik vroeg haar of ze me oud vond en of dit – weids en licht theatraal gebaar met beide armen – nog wel kon.

Ze zei dat ik normaal moest doen. En dat ik drankjes moest halen.

Ik kon nog jaren mee, dat zei ze ook, en we gingen gewoon gek dansen en ik moest mijn mond houden. Zij was tien jaar jonger, sprak ze dwingend, dus ze had recht van spreken.

En zo besloot ik dat dit nog kon. Ik moest niet zeuren. Ik was niet dood. Ik leefde. Dit kon.

Ik hield voor de zekerheid wel mijn T-shirt aan.